Wat zegt Meester Morya over ... ?

De boeken en teksten van Meester Morya staan vol talloze inzichten over heel verscheidene onderwerpen. Op deze pagina laten we je grasduinen in stukjes over een aantal interessante thema's (kies uit de lijst aan de linkerkant). In de meeste gevallen zijn deze fragmenten slechts een selectie; in de boeken zelf vind je nog (veel) meer!

Het lichaam

Wijsheid 2Morya symboolWant de aarde op zich is een schuiloord, er zit veel meer energie in dan men ontdekt. Voortdurend stelt de mens vragen over zijn lichamelijke tegenwoordigheid op deze aarde: wat eten, hoe vermageren, hoe dikker worden, hoe gezond worden, waar naartoe? Allemaal punten die te maken hebben met lichamelijkheid, ruimte en tijd. Dingen die een zeker ritme in zich dragen, een zeker verband hebben met de andere dingen op deze aarde en waarvan hij niet ziet hoe het functioneert. Want heel veel van de elementen van de aarde die er in ons zijn, dragen in zich de intelligentie om voor zichzelf te zorgen. De mens kan daarvan genieten, hij kan in zijn eigen tuin gaan wandelen, de tuin van zijn lichamelijkheid en daar genieten van ieder element dat er aanwezig is. En wanneer het fout zit, dan vindt hij dat hij daar iets aan moet doen. In veel gevallen hoeft hij daar niets aan te doen en moet hij de pijn alleen maar kunnen verdragen tot ze vanzelf weggaat. Want het lichaam is een fantastisch, fenomenaal instrument dat voor zichzelf kan zorgen. Dat is ook het wonderlijke, dat hoe meer je dat lichaam kan zien als een tuin waarin je kan wandelen, waarin je kan verblijven en waarin je kan thuiskomen, hoe meer je dit lichaam kan leren waarderen. Hoe het er ook uitziet. Want de normen die de mens aanlegt voor zichzelf van: ‘het moet er zo uitzien’, zijn meestal fout. Hij weet niet hoe het er uit moet zien, want hij weet niet vanwaar het komt en waar het naartoe gaat.

Het lichaam is een kneedbaar instrument

Er zit een heel grote ontwikkeling in dit lichaam dat meegaat met deze aarde. Omdat hij de aarde niet begrijpt, begrijpt de mens het kleine stukje aarde waar hij aan vastzit ook niet. Hij zit niet alleen vast aan die heel grote aarde, maar ook aan dat kleine stukje, dat kluitje aarde wat hij zelf is, die lichamelijkheid die hij heeft. Daar moet hij naar durven kijken en mee durven leven. Hij moet dat kneedbaar instrument - want het is kneedbaar - ook als dusdanig proberen te benaderen. Hij moet ontevreden kunnen zijn met de dingen die lichamelijk in hem zijn en tegelijk daarmee zelfs heel diep tevreden en gelukkig kunnen zijn.

Een groei van levens

Dus daarin zit weer een enorme tegenstelling die Ik hier even duidelijk maak. Want als je naar je lichaam kijkt, kan je zien dat dit lichaam niet af is, dat het in een groei zit en in een groei van levens. Dat wil Ik heel duidelijk stellen: ondanks dat je dit lichaam aflegt aan het einde van je leven en opneemt op het moment van de geboorte - of de conceptie, beter gezegd - waardoor het een vorm zal krijgen, op het moment dus dat je het opneemt en weer aflegt, heb je nog altijd andere lichamen die in verband staan met dit lichaam dat je nu hebt. Het lichaam is wel afgelegd bij de dood maar het laat zijn sporen na. De hele informatie die er in dit lichaam zit, wordt opgenomen in de ziel en iedere keer dat je een nieuw lichaam zal aannemen op deze aarde in een nieuwe incarnatie, zit daar het hele ervaren opnieuw in. Het ervaren gaat over de levens mee ondanks het feit dat je voortdurend nieuwe lichamen gaat betrekken en bewonen. Je lichaam gaat naar een veredeling, verfijning, vereeuwiging, want uiteindelijk zal je in staat zijn dit lichaam zelf af te breken en op te bouwen. Je kan zeggen: “Hoe is het mogelijk dat ik daartoe in staat zal zijn?” maar dat zal zijn vanuit de kennis van je ziel waar je ondertussen één mee geworden zal zijn. De ziel die meegaat over de levens heen, van leven tot leven, en voortdurend, neemt een kennis op waar je niet bij kan, die haar eigen kennis is.

Fragment uit Morya Wijsheid 2: De weg van eenvoud, blz. 96-98

Wijsheid 2Morya symboolAls je deze aarde benadert, moet je weten dat je hier leeft met een bepaalde bedoeling, namelijk om dit lichamelijke verder te dragen van het ene naar het andere leven en om dit lichamelijke te laten ontplooien, ontwikkelen en mooier, beter te laten worden.

Er zijn heel veel toestanden op deze aarde die dit lichamelijke proberen te verzwakken en aan te vallen. De mens moet leren kijken naar deze toestanden, hij moet het misschien gezamenlijk doen, samen met anderen. Mensen moeten met het lichamelijke bezig kunnen zijn op een niveau van overleg. De mens moet zijn lichamelijke kwaliteiten leren verfijnen zodat hij er beter mee kan leven: gezonde voeding, gezonde lucht, gezonde ontspanning. Al deze facetten van het bestaan hebben hun eigen betekenis en hebben een zeer grote betekenis voor de mens. Maar hij moet het gezamenlijk doen. Hij moet het niet alleen doen. Dit is heel merkwaardig: waar hij opgesloten zit in lichamelijkheid moet hij in actie komen om samen met anderen tot ontspanning te komen, om samen tot een begrip van lichamelijkheid te komen.

Lichamelijkheid vraagt samenzijn

De mens mag niet alleen zijn met zijn lichaam want dan gaat het fout. Als hij zich opsluit, zal hij ondervinden dat hij kiest voor de pool van het hemelse en niet voor het lichamelijke. Dit is altijd gebeurd met kluizenaars: ze hebben gekozen voor een andere pool. Omdat ze alleen zijn gaan leven, hebben ze geen aandacht geschonken aan het lichaam. Dit is niet de bedoeling want deze aarde moet de indruk nalaten dat je nooit alleen bent. Vandaar, als je met lichamelijkheid bezig bent, dat je aansluiting moet zoeken bij anderen om dit tot een goed gevolg te kunnen brengen. Als je over lichamelijkheid bezig bent is het belangrijk dat je samenkomt en samen oefeningen doet, erover praat. Daarmee bezig zijn op een manier dat je het tot een ontplooiing brengt, tot een rust, tot een vrede, tot een kracht, tot een schoonheid. Dit is iets van de groep, van wat de mensheid betekent.

Je kan samenwerken met kinderen, je kan samenwerken met oudere mensen of je kan samenwerken met leeftijdsgenoten. Het maakt niets uit maar lichamelijkheid wijst op samenwerking, op saamhorigheid. Zo zou ik het jullie willen aanreiken.

Het is belangrijk om dit te durven zien want veelal zit men opgesloten in een zelfzucht als men met zijn lichaam bezig is. Men wil zijn lichaam verzorgen, los van dat van de anderen en dan slaagt men daar niet in. Men staat in een hopeloos verouderd patroon van: ‘ik doe hier iets wat geen zin heeft.’ En toch, als je naar je lichaam kijkt, ga je al spontaan kijken op de manier zoals anderen naar jouw lichaam kijken. Er is iets in het lichamelijke wat voortdurend naar de anderen verwijst en toch begrijpt men het niet. Dit is wel belangrijk: dat men leert zien dat men, als men met lichamelijkheid bezig is, voortdurend de verwijzing vindt naar de andere. Men moet de stap durven zetten, men moet het kunnen en durven doen. Dit is heel belangrijk om te zien.

Als je met schoonheid bezig bent, doe dat dan in een groep. Dat wil zeggen, haal er andere mensen bij die ook met de schoonheid van hun lichaam bezig zijn. Als je met meditatie bezig bent en in je lichaam gaat zitten om daar dat centrum tussen de wenkbrauwen te gaan beleven, doe dat dan in een groep. Het is heel belangrijk dat je dit gaat doen.

Wanneer je met het geestelijke bezig bent, is dat iets anders. Maar daar wil Ik nu niet over spreken.

Hoe met het lichaam omgaan?

Lichamelijkheid bewijst zichzelf. Dat wil zeggen: het lichaam heeft zijn eigen noden, heeft zijn eigen vragen, en het zal ook voortdurend de aandacht blijven vragen van de mens. Zoveel mensen zijn met lichamelijkheid bezig op de verkeerde manier want ze wachten tot het lichaam ziek wordt om er mee bezig te zijn en dat moet niet gebeuren. Het is belangrijk dat de mens bezig is met zijn lichamelijkheid op een ontspannen, nuchtere, vertrouwde manier. Hij moet kunnen genieten van deze lichamelijkheid onder alle vormen en in alle omstandigheden. Niet dat hij alleen maar voor het lichaam moet leven, maar hij moet het durven zien, bekijken en ermee durven leven, durven werken, ervan durven genieten. Dit is uiterst belangrijk.

Het ritme van je lichaam

Toch is het zo dat het lichaam niet alleen aandacht moet krijgen, maar ook een verzorging op een bepaalde manier. Het moet in een ritme gebracht worden. Het moet opgevoed worden. Het lichaam zelf heeft de neiging om lui te zijn en om voortdurend te proberen in een spanning-ontspanning te komen.

Het is van belang dat je dit ritme goed probeert te analyseren. Zodat je weet: ‘wanneer komt het in een spanning en wanneer in een ontspanning? Wat is het natuurlijk ritme van dit lichaam en hoe kan ik daarmee omgaan?’ En gaat het in de ene of de andere richting verkeerd dan moet je het opvoeden, zeer streng. Dan moet je zelf de regels bepalen en zeggen: “Kijk, dit ervaar ik” - maar je moet wel uitgaan van ervaring en niet van het idee zelf dat er een discipline moet komen - dus: “Dit ervaar ik, dit is mijn ritme.” Wanneer je dit eenmaal als ritme kan zien, moet je lichaam daar aan wennen om dit ritme aan te houden. Je kan er een beetje aan wrikken en wringen. Je kan bijvoorbeeld wat minder slaap nemen en meer ontspanning, of minder ontspanning en meer werk … Je moet het goed afwegen wat voor het lichaam het beste voelt. Probeer daar alert op te zijn, kijk van: ‘op deze leeftijd, in dit stramien van mijn bestaan, kan ik dit en dat eisen van mijn lichaam.’ En dan moet je dit durven doen. Want als je zijn ritme onderhoudt, functioneert het lichaam beter. Als je bijvoorbeeld tot de conclusie komt: ‘als ik vroeg ga slapen, is het beter voor mij’, zal je ondervinden dat je het lichaam de gewoonte moet aanleren dat het altijd op een bepaald tijdstip moe wordt en wil slapen; dan functioneert het optimaal.

Trainen op uitzonderlijke omstandigheden

Maar het moet niet zo zijn dat het een klok wordt. Dat je zegt: “Nu is het tijd om te slapen” en waar je ook bent, vlug naar huis snelt om in je bed te tuimelen. Neen, dat is de andere kant van de zaak. Het moet zo soepel zijn dat je er ook mee kan omgaan in uitzonderlijke omstandigheden, dat het fris blijft en goed functioneert. Je verhouding met je lichaam moet er een zijn van discipline maar tegelijk van soepelheid. Je moet je trainen op uitzonderlijke omstandigheden waar je toch de bovenhand neemt en waar je zegt: “Ik hou dat lichaam in stand en ik hou het gaande.” Als je dit doet - deze uitzonderlijke omstandigheden beleeft die zelfs heel goed zijn voor je lichaam als het af en toe gebeurt - dan moet je nadien toch weer durven zeggen: “En nu terug in het ritme, nu terug dit en dat en dat.”

Het heeft een bepaalde functie, niet te streng, niet te slap. De eigenlijke weg is de middenweg, waarbij je je lichaam goed verzorgt, ervan geniet, maar dat je anderzijds weer een soort discipline inbouwt in je leven zodat het lichaam heel goed gaat functioneren. Want het lichaam heeft oefeningen nodig, kleine dingetjes, kleine oefeningetjes die maken dat het fit is en soepel en je eigen bevelen heel goed opvolgt. (vervolg bij Verslaving)

Fragment uit Morya Wijsheid 2: De weg van eenvoud, blz. 109-114